De Buizerd

 

 

De Buizerd is de meest voorkomende roofvogel in Nederland. Dit is vooral de Buteo buteo, de 'gewone' Buizerd. Buteo buteo is een van de meer dan 20 soorten van het geslacht Buteo, dat weer een van de 14 geslachten der Buizerdachtigen (Buteoninae) is. 's Winters komt in Nederland naast de 'gewone' Buizerd ook wel de Ruigpootbuizerd (Buteo lagopus) voor. De Ruigpootbuizerd wordt zo genoemd vanwege zijn kenmerkende bevederde loopbeen. In het veld is dit echter moeilijk te zien en is het moeilijk beide soorten op grond hiervan te onderscheiden.

Afmeting
Met een lengte van circa 55 cm is de Buizerd voor Nederlandse begrippen een redelijk grote roofvogel. Van de inheemse soorten is alleen het havikvrouwtje groter, zij meet tot 60 cm. Het havikmannetje daarentegen is met zijn 50cm weer kleiner dan de Buizerd. Ook voor de Buizerd geldt dat het mannetje kleiner is dan het vrouwtje, maar dit verschil is veel kleiner.
Veelal wordt de Buizerd zittend op een paaltje waargenomen. Kenmerkend zijn dan de brede schouders. Ook zwevend is hij vaak te zien, dan vormen de brede vleugels een ondiepe "V" met gevingerde uiteinden die iets opkrullen. De spanwijdte van een mannetje is met 115 tot 120 cm iets kleiner dan de spanwijdte van een vrouwtje waarbij deze circa 125-130 cm bedraagt. Het verschil in gewicht is groter: het mannetje weegt 700 tot 800 gram, terwijl het vrouwtje tot 1000 gram kan wegen.

kleur
De Buizerd kent een grote continue kleurvariatie van bijna geheel wit tot geheel zwart-bruin. Deze variatie is vooral op de buikzijde te vinden. Deze buikzijde heeft meestal een variabele bruine tekening op een lichtere ondergrond. De bovenzijde is overwegend bruin terwijl de staart een rossigbruine kleur heeft met meerdere smalle donkere dwarsbanden. De onderkant van de vleugel is aan de voorzijde vaak donker gekleurd. De slagpennen steken met hun lichtere basiskleur hierbij af en hebben verder naar achter bruine banderingen. De opkrullende veren aan het vleugeleinde hebben een zwarte tip.

Jagen vanuit de lucht
De Buizerd is een uitstekende zweefvlieger. Op de thermiek laat hij zich meedrijven en zonder veel vleugelslagen kan hij lange tijd rondjes circelen. Dit kost relatief weinig energie terwijl hij een goed overzicht over het jachtgebied heeft. Deze methode van jagen is vooral in de zomermaanden te zien, dan is er voldoende thermiek om op te zweven. De hoogte waarop de Buizerd zo zweeft en glijdt kan verschillen van enkele meters tot 100 meter, maar meestal circelt hij tussen de 20 a 40 meter hoog.
Zodra de buizerd een mogelijke prooi in het vizier krijgt gaat deze zoekvlucht over in bidden. De Buizerd blijft dan stilhangen op een plaats, waarbij de kop nagenoeg op een vaste positie blijft. Bij voldoende sterke wind kan dit door kunstig op de wind te balanceren, is de wind niet sterk genoeg hiervoor dan zal hij zo min mogelijk met de vleugels slaan. Na het bidden gaat de Buizerd in de aanval over (of niet). Deze aanval bestaat uit het, al dan niet in etappes, afdalen om uiteindelijk met omhoog gestrekte vleugel zich op de prooi te laten vallen. Een gevangen prooi wordt met de klauwen gedood.

Jagen vanaf een paaltje
De Buizerd speurt, in plaats van zwevend, ook graag de omgeving af vanuit een hoge zit. Gezeten op een paaltje, een dode tak of een anderssortige vehoging in het landschap tuurt hij dan in het rond. Als een prooi gezien is, lijkt hij ineens veel alerter en staart naar een vast punt, bewegend met de kop om de afstand en plek in te schatten. De aanval die volgt bestaat uit een korte glijvlucht tot op de prooi.

Jagen vanaf de grond
De Buizerd jaagt ook wel vanaf de grond. Dan loopt hij rond, op zoek naar insecten en slakken. Vooral in het voor en najaar kan de insectenjacht lucratief zijn, al is deze methode moeilijker waar te nemen door de laag bij de grondse positie.

Voedsel
Net als andere roofvogels is de Buizerd een carnivoor (vleeseter). Verder is de Buizerd niet erg kieskeurig. Vrijwel alle soorten die in 'zijn' leefgebied voorkomen en niet zwaarder zijn dan circa 500 gram staan op de prooisoortenlijst. Op de lijst staan zowel ongewervelde dieren (waaronder insecten, weekdieren en ringwormen) alsook gewervelde dieren (waaronder zoogdieren, vogels, reptielen, amfibiën en ook vissen).
Het merendeel (>80%) van de prooien bestaat uit kleine zoogdieren, als muizen, ratten, marterachtigen, eekhoorns, mollen, konijnen en hazen. Hiervan vormt de veldmuis (Microtis arvalis) het grootste deel (>80%). Dit grote aandeel van de veldmuis in het dieet van de Buizerd kan worden verklaard door de eigenschappen van de beide soorten: De veldmuis heeft een voorkeur voor wegbermen, weide- en akkerland en boomgaarden en is zowel nacht- als dagactief, vooral tijdens de schemering. De Buizerd is vooral goed in jagen op niet te grote, niet te snelle bodemdieren. Hij kan het best uit de voeten in niet te dichte begroeiing, zoals in het open veld, waar de veldmuis in grote getalen voorkomt.
Hoewel de Buizerd geen echte visser of vogeljager is, staan er wel vogels en vissen op het menu. De vele vogelsoorten op de prooilijst zijn waarschijnlijk meest dieren die dood of verzwakt werden gevonden. De vissen zijn ook waarschijnlijk dood aangetroffen aan de oppervlakte of bij de oever. Bij de amfibieën worden vooral kikkers, padden en salamanders gejaagd. Een niet onbelangrijk deel van het menu bestaat uit (naakt)slakken en regenwormen en uit insecten als krekels en kevers. Bovengenoemde getallen zijn geen vaste gegevens, maar de gevangen prooidieren en de aantallen kunnen varieren met de beschikbaarheid van de genoemde dieren in een bepaald gebied of in een bepaald seizoen. Ook varierend met het seizoen is de voedselbehoefte van een Buizerd: voor een volwassen Buizerd geldt dat hij gemiddeld ongeveer 6 veldmuizen per dag nodig heeft.

Leefomgeving
De Buizerd stelt twee eisen aan zijn biotoop: aanwezigheid van bos, en aanwezigheid van open veld, liefst met twee maal meer veld dan bos. Het bos dient vooral om in te nestelen en de jongen groot te brengen. De Buizerd is hierin niet erg kieskeurig, het mag zowel loof- als naaldbos zijn. Wel moet het oud genoeg zijn, opdat er op een hoogte van minimaal 8 meter een nest gebouwd kan worden. Ook de grootte van het bos is niet erg van belang, zolang de jongen er maar rustig grootgebracht kunnen worden. Het open veld dient als jachtterrein en dient zo afwisselend en gevarieerd mogelijk te zijn omdat dit danmeestal ook geldt voor het prooiaanbod. Helemaal ideaal wordt het als er ook nog natuurlijke verhogingen in het landschap te vinden zijn die als uitkijkpunt kunnen dienen. Denk hierbij aan paaltjes, dode bomen of een heuveltje. In Nederland voldoen bijvoorbeeld de Veluwe aan deze criteria, evanals Zuid en Oost Nederland. Niettemin komt de Buizerd tegenwoordig ook voor in Noord-Hollandse landgoederen en parken.

Nestbouw en paring
Al vroeg in het jaar, soms al in februari, beginnen buizerdpaartjes met het bouwen van een nest. Dit kan een geheel nieuw nest zijn, maar ook oude nesten worden verbouwd en uitgebreid. Nesten worden in zowel naald- als loofbomen gebouwd op hoogten van minimaal acht meter, maar ook 30 meter is geen uitzondering. De Buizerd heeft een voorkeur voor rustige bossen, waar niet te veel recreatie plaatsvindt. Eind maart en begin april vindt de paarperiode plaats. De paring zelf is vrij kort van duur, maar wordt vaak herhaald. Dit gebeurt in of nabij het nest. Over het algemeen zijn Buizerds monogaam en een paartje blijft gedurende meerdere broedsezoenen bij elkaar. In enkele gevallen wordt melding gemaakt van één mannetje met twee vrouwtjes.

broed
Na de paarperiode worden in de eerste helft van april de eieren gelegd. De precieze tijd hiervan kan varieren met de temperatuur, de daglengte of de hoogte ten opzichte van zeeniveau. Indien een vrouwtje voor het eerst legt, doetzij dat veelal ook iets later dan de meer ervaren vrouwtjes. Een legsel bestaat meestal uit twee of drie eieren. Deze worden een-voor-een met twee à drie dagen tussentijd gelegd in of de vroege ochtend of in de late namiddag. Rond het leggen van het laatste ei begint het broeden. Dit wordt vorral door het vrouwtje gedaan, en duurt iets langer dan een maand. Enkele dagen voor het uitkomen begint het ei al zachtjes te piepen. Vanaf dan verschijnen er scheurtjes en gaatjes in de schaal en werkt het kleine witte donskuiken zich een weg naar buiten.

jongen
Het kleine witte donskuiken begint na ongeveer een week in het nest rond te kruipen. In de tweede week wisselt het dons voor een nieuwe donslaag. Na ongeveer drie weken begint de echte veergroei. Ze kunnen nu ook al in het nest staan en lopen. Ook beginnen ze nu zelf aan prooien en resten daarvan te knabbelen. Rond de vijfde week zijn ze zelf al in staat om een muis geheel zelfstandig te verorberen. Na al geruime tijd vliegoefeningen te hebben gedaan in het nest vliegen de jongen voor het eerst uit na circa acht weken. Hoewel ze het nest al kunnen verlaten blijven ze nog afhankelijk van de ouders als het gaat om de voedselvoorziening. Een maand of twee na het uitvliegen worden ze steeds minder gevoerd door de ouders, zodat ze gedwongen worden om zelf op jacht te gaan. Na het eerste jaar zijn de jongen geslachtsrijp, maar pas na drie jaar zijn ze echt broedrijp. Een buizerd kan tot 25 jaar oud worden.

De Nederlandse buizerds zijn veelal standvogels. Dit wil zeggen dat ze niet trekken, maar het hele jaar rond in hun territorium blijven. Niettemin is er wel een trek van buizerds in Nederland waar te nemen. Dit zijn dan veelal buizerds of ruigpootbuizerds uit noordelijke gebieden zoals Scandinavie. Deze trekken wel naar warmer oorden en doen op hun weg naar het zuiden ook Nederland aan. Her en der kan dit tot spanningen leiden tussen de blijvers en de passanten die dan ineens binnendringen in de gevestigde territoria.

bron:http://www.jungerius.net/buizerd/roofvogels.html