De paradox van het aaisykjen

 

Het rapen van Kievitseieren heeft een positieve invloed op de stand van deze vogelsoort.

 

Op het eerste gezicht lijkt dit voor de buitenstaander een onzinnige bewering en dat verklaart dan ook het onbegrip bij brede lagen van onze bevolking. Dit is primair het probleem waar de BFVW mee geconfronteerd wordt en het is uiterst lastig om dit uit te leggen. Of is het zelfs een onmogelijke opgave geworden  in een land waar tegenwoordig 60 % van de bevolking stadsbewoner is?

 

Strikt genomen is deze bewering natuurlijk onjuist. Men kan moeilijk beweren dat het wegnemen van eieren altijd gunstig uitvalt voor de betreffende vogelsoort. Integendeel, meestal is het verlies van een legsel voor een vogel negatief. Men moet echter wel rekening houden met de reproductiecapaciteit van de betreffende vogelsoort. Als de vogelsoort in staat is om verschillende vervolglegsels te produceren, moet men het verlies van het eerste legsel wel plaatsen in het juiste perspectief. Het verlies is dan een relatief gebeuren. Ook de leeftijd die een vogelsoort kan bereiken speelt een rol. In principe hoeft een ouderpaar vogels gedurende hun leven maar twee jongen groot te brengen om de stand gelijk te houden.

 

In de natuur zijn de verliezen enorm. Ook het begrip verlies is relatief. Wat voor de prooidiersoort een verlies lijkt, is voor de predator juist winst. Verlies kan ook ontstaan door het inkrimpen van een geschikte biotoop of door weersinvloeden e.d. Belangrijk is natuurlijk of dit tijdelijk is of definitief. Tijdelijke negatieve omstandigheden kunnen in veel gevallen het hoofd worden geboden door de veerkracht die een bepaalde soort bezit. Ook hierin zijn grote verschillen aanwezig. Biotoopverlies betekent voor bijna alle soorten het definitieve einde. Slechts een enkele soort is zo flexibel om veranderingen in korte tijd aan te kunnen.

 

Ecologisch onderzoek heeft aangetoond, dat het wegnemen van een legsel van de Kievit door de mens te vergelijken is met het wegnemen door een andere predator. Niets meer en niets minder. Het maakt voor de Kievit geen enkel verschil uit of het legsel wordt weggenomen door een mens, vos, bunzing, marter, wezel, hermelijn, kraai, ekster, roek, kauw, kiekendief, buizerd, ooievaar, reiger of meeuwensoort. Ook verliezen door landbewerkingen door de boer of vertrapping van legsels door vee doet er niet toe. Verlies is verlies. Wel maakt het verschil uit wanneer het verlies optreedt. Is dit in het begin van het broedseizoen, of laat. Het verlies van een legsel dat bijna kan uitkomen is uiteraard groter dan de eerste eieren. Het vogelpaar heeft dan al veel geïnvesteerd en het rendement gaat verloren voor dat seizoen. Het behoud van legsels die in een vergevorderd stadium van bebroeding verkeren of als de kuikens reeds zijn geboren, is voor de oudervogels veel belangrijker dan het verlies van een aantal eieren in de beginfase van de broedcyclus. 

 

Objectief bezien is aaisykjen een vorm van predatie. Er is echter één opmerkelijk verschil met de bovengenoemde andere predatoren. Aaisykjen duurt maar ongeveer 10 dagen. Het zijn dan ook vrijwel uitsluitend de eerste eieren die de Kievitpaartjes leggen die worden meegenomen. Na 8 april ondergaat de aaisyker echter een metamorfose en verandert van predator in beschermer. Voorheen zelfs ook nog in bestrijder van sommige andere predatoren. Toen sneed het mes voor de Kieviten van twee kanten. Dat kan van de overige  predatoren niet gezegd worden. Dezen gaan gewoon door met hun activiteiten en blijven gedurende de hele broedcyclus hun tol heffen.

 

 

 

De aaisyker in de rol van nazorger probeert de verliezen van de legsels (en de kuikens) van alle soorten weidevogels zo laag  mogelijk te houden. Vooral tegen de onbedoelde schade aan de legsels veroorzaakt door landbewerkingen, oogstwerkzaamheden en vertrapping door het vee.

 

Helaas gaat de stand van vrijwel alle weidevogels naar beneden. Daar zijn een aantal oorzaken voor aan te wijzen. De grootste boosdoener is het verlies aan geschikte biotoop. Zowel in kwaliteit als areaalgrootte. De sterk ontwaterde en in verhouding met vijftig jaar geleden zwaar bemeste Raaigrasweiden zijn minder geschikt voor de weidevogels in vergelijking met de half-natuurlijke graslanden van voorheen. Daarnaast is het areaal aanzienlijk gekrompen door dorps- en stadsuitbreiding, industrieterreinen, wegenaanleg en boerderijbouw in het open veld.

Niet alleen de stand van de Kievit, maar in het bijzonder het voorkomen van de Grutto vertoont een sterk dalende tendens. Opmerkelijk is het feit, dat ook de soorten waarvan de eieren niet gezocht worden, zoals bijvoorbeeld Grutto,Watersnip, Kemphaan, Scholekster en Veldleeuwerik achteruit gaan, ondanks inspanningen van duizenden nazorgers. Maar wat er niet is kan men ook niet voor zorgen.

De verliezen en het vermijdingsgedrag door en voor predatie van vooral de nieuwkomer Vos en de ongebreidelde groei van het legioen kraaiachtigen dreigen de plaatselijk, kwijnende populaties weidevogels de das om te doen.

 

Het is dan ook een naïeve gedachte om te redeneren dat door een verbod van het aaisykjen de stand van de weidevogels zal verbeteren. In onze provincie wordt al eeuwen gezocht naar de eieren van weidevogels en ondanks dat er soms duizenden eieren per week op de markt werden aangevoerd, heeft dit nooit enig effect gehad op het voorkomen.

 

Aaisykjen moet men zien als een indirecte, positieve activiteit ten opzichte van het behoud van de weidevogels en hun biotoop. Het is de leerschool van het veld. Een aaisyker moet altijd alert zijn en het gedrag van de vogels observeren. Hierdoor ontstaat een grote binding met de vogels en het landschap. Het is niet toevallig, dat de BFVW afdeling Lekkum/Miedum zo fel is tegen de plannen om de Bullepolder te bebouwen. Alleen aaisykers, jagers en vissers zijn een integraal onderdeel van de natuur. Alle anderen zijn toeschouwers die de natuur gebruiken als decor voor hun activiteiten.

Zonder aaisykers geen weidevogels. De mensen zullen nog meer vervreemden van hun omgeving en waar men geen binding mee heeft, zal men ook niet verdedigen.

 

Gytsjerk, 18 februari 2004

 

Louis Dykstra